Jaar 2008-2009 Cyclus B

Bezinning bij / surfen naar:

  • Jesaja 40, 1-5.9-11
  • Marcus 1, 1-8

    Zusters en broeders,

    Elke literaire uitgeverij ontvangt jaarlijks tientallen, zelfs honderden voorstellen van evenveel auteurs om hun boek uit te geven. Het spreekt vanzelf dat maar een heel beperkt deel van die aanvragen effectief in een boek zal uitmonden. En je zult het misschien niet geloven, maar de eerste selectie gebeurt op basis van de eerste zin van het boek: als die al niet echt goed is, wordt er zelfs niet meer verder gelezen. Is hij wél goed, dan is de kans groot dat er nog wat bladzijden gelezen worden. Is hij schitterend, dan vermoedt de uitgever dat de auteur iemand is die echt wel kan schrijven. Zijn inzending wordt zeer aandachtig gelezen, en misschien komt het tot een uitgave.

    Welnu, met zo’n schitterende zin begint Marcus zijn evangelie. ‘Begin van de Blijde Boodschap van Jezus Christus, de Zoon van God.’ Elk woord is een mokerslag die je niet snel zult vergeten. Het gaat bijvoorbeeld niet om ‘een’, maar wel om ‘dé’ Blijde Boodschap, en dat ene woordje maakt een wereld van verschil. Want als het om ‘een’ Blijde Boodschap gaat, dan is er meer dan één van die boodschappen. Gaat het echter om ‘de’ Blijde Boodschap, dan is er maar één. En verder: Jezus Christus is niet zomaar iemand, nee, Hij is ‘de Zoon van God’. Opnieuw: niet ‘een’, maar ‘de’:‘de’ Zoon van God.’ Dat is dus wat Marcus ons wil vertellen: het verhaal van God die als de mens Jezus onder de mensen komt wonen. Jezus zelf is de Blijde Boodschap, het nieuwe verbond tussen God en zijn schepping. Een boodschap die licht brengt in het duister, die vreugde brengt waar droefheid is, die hoop brengt waar wanhoop is. ‘Troost u’, zegt Jesaja in de eerste lezing, ‘uw God is op komst. Als een herder zal Hij zijn schapen weiden, in zijn armen ze samenbrengen, de lammeren zal Hij aan zijn borst dragen en de schapen met zachte hand geleiden.’

    Zusters en broeders, ik heb de indruk dat we die troost en die herderlijke zorgzaamheid van God best kunnen gebruiken: voor onszelf, voor onze gemeenschap, voor onze Kerk, voor de wereld. Voortgaand op het aantal mensen dat antidepressiva slikt, dat psychologische problemen heeft, dat zelfmoord pleegt, moeten we besluiten dat er heel veel radeloosheid is. Radeloosheid om wat is en wat zal komen. De voorbije maanden waren voor velen behoorlijk angstaanjagend: mensen zagen hun spaargeld van vandaag op morgen in rook opgaan door de grootheidswaanzin van enkele bankiers, fabrieken gaan voor weken of zelfs maanden dicht, en niemand durft voorspellen wat ons nog te wachten staat, maar mooi is het niet, dat weten we. Mooi is het al evenmin voor heel veel kinderen, die door de breuk in veel relaties radeloos op zoek zijn naar een echte moeder, een echte vader, een echte thuis. En verder: de armen worden steeds armer, niet alleen hier, maar over de hele wereld. Oorlogen en burgeroorlogen trekken een moordend spoor door Afrika en Azië, en de waanzin van het moslimterrorisme groeit met de dag. ‘Troost u,’ zegt Jesaja, ‘uw God, uw goede herder, is op komst.’ En Marcus voegt eraan toe: ‘Hij brengt u in de persoon van Jezus Christus de Blijde Boodschap.’

    Dat zeggen ze tegen ons en tegen onze Kerk. Als christenen en als Kerk zijn wij de kinderen van die Blijde Boodschap, maar soms heb ik de indruk dat we dat niet echt goed weten, en dat we het nog minder beleven. Ik zie zo weinig troost en blijdschap in onze gemeenschap, en ik zie er nog minder in onze Kerk. Het lijkt erop dat er sleet zit op onze beleving, op ons geloof, op onze liefde, op ons christen zijn in zijn geheel. Net of we moe zijn, en er door de ellende om ons heen zelf niet meer in geloven.

    Zusters en broeders, Jezus stond er helemaal alleen voor, maar zelfs op het kruis gaf Hij het niet op. ‘In uw handen beveel ik mijn Geest’, zei Hij tot zijn Vader. Hij bleef geloven in zijn Boodschap, Hij bleef geloven dat die Boodschap het verschil kon maken tussen dienen en heersen, tussen liefde en haat, tussen een leefbare en een onleefbare wereld. Laten ook wij dat geloven, en vooral: laten ook wij dat beleven. Laten wij dus, als christen en als Kerk, door onze manier van leven, van er te zijn voor elkaar en voor mensen in nood, het verschil blijven maken tussen een leefbare en een onleefbare wereld. Door Hem en met Hem en in Hem. Amen.

Intekenen voor de wekelijkse overwegingen

Wil je ook graag wekelijks mijn overwegingen ontvangen? Wil je je uitschrijven van de lijst? Vul dan hieronder je gegevens in:
captcha